Meld je aan en plaats je eigen gedicht !

Sint Nicolaas en de drie scholieren

Drie scholieren van voorname afkomst waren op weg naar de stad waar zij zouden gaan studeren. Op hun tocht door een afgelegen streek vonden zij ’s avonds onderdak in een herberg. De waard, die vermoedde dat zij veel geld aan gouden munten bij zich hadden, vatte het plan op hen die nacht te vermoorden. Zodra hij zijn sinistere plan ten uitvoer had gebracht, sneed hij de lichamen van de scholieren in stukken en legde de brokken vlees, net zoals men dat deed bij het slachten van varkens, in een pekelvat.

Door een engel gewaarschuwd klopte Sint-Nicolaas daags daarop bij de herberg aan, vroeg om onderdak en bestelde een maaltijd. Bij de keuze van het vlees wees Nicolaas de waard op zijn misdaad en verlangde van de waard dat hij hem het pekelvat met de aan stukken gesneden jongelingen toonde. Staande bij het vat, gebood Nicolaas de waard de planken deksel eraf te halen. Daarop vouwde hij zijn handen, bad tot God, en zegende de drie jongelingen. Aldus wekte hij hen tot leven. De drie scholieren gingen rechtop staan en dankten God. De waard viel op zijn knieën, vroeg om vergiffenis en bekeerde zich ten goede.

In West-Europa steunt het kinderpatronaat van Sint-Nicolaas en het kinderfeest rond Sinterklaas vooral op deze legende. De legende ontstond in Noord-Frankrijk met als centrum St. Nicolas de Port.

EINDE

Bron van deze versie:
Sint Nicolaas legenden In eigen beheer uitgegeven door Jos Beke en Rijsterborgh 1997

Business Broker

Het Sinterklaasgedicht door Willem Wilmink

Het leek wel of de zon overleden was, zo donker bleef het elke dag. Toch was het geen sombere tijd. In de klas was het licht aan, en als de meester dan ging voorlezen, was het net of ze allemaal heel erg bij elkaar hoorden, en nooit uit elkaar zouden gaan. Sinterklaas was weer in Nederland aangekomen. Op veel plaatsen tegelijk, zoals zijn gewoonte was. Op een koopavond liepen Kees en zijn broertje Rutger en hun vader langs de feestelijk verlichte winkels. Bij een speelgoedwinkel bleven ze staan. Je kon er allemaal peperdure automatische dingen kopen, waar ieder kind gauw op is uitgekeken. “Daar hebben de mensen geld voor over,” zei vader. “En boeken vinden ze te duur. Het is onbegrijpelijk.”

Rutger vertelde dat hij zorgen had. Want hij had gezongen “Sinterklaas is jarig, zet hem op de pot”. Hij had dat gedaan voordat Sinterklaas in het land was. Maar misschien waren er al een paar Pieten vooruitgestuurd, dacht Rutger, om te onderzoeken of er geen kinderen waren die vieze liedjes zongen over de Sint. Vader stelde hem gerust. “Sinterklaas wordt ook een dagje ouder,” zei vader. “De man is niet zo streng meer als vroeger. In mijn tijd werden er nog wel eens jongens in de zak gestopt en naar Spanje vervoerd. Maar de goedheiligman heeft zich aangepast aan de moderne ideeën over opvoeding.”

Toen ze thuiskwamen moest vader eventjes naar de wc. Een hand met een handschoen aan stak om de kamerdeur en strooide pepernoten de kamer in. Rutger durfde zich haast niet te verroeren. Maar hij was gauw over de schrik heen en ging wild aan het grabbelen. Vader kwam weer binnen. “Er was een Zwarte Piet hier!” zei Rutger. “Ben je hem niet tegengekomen op de gang?” - “Nee,” zei vader. “Die kerels zijn zo vlug. En dat ik nou toevallig op de wc zat, hè?” - “Ja, heel toevallig,” zei Kees. Hij had plezier om Rutger, die altijd zo stoer deed en er nu zo intrapte.

Op de ochtend van 5 december was bijna de hele klas van Kees al vroeg op het schoolplein. Ze hadden geloot wie voor wie een cadeautje zou kopen. Alles moest strikt geheim blijven, maar er werden toch hier en daar groepjes gevormd waar alvast een tipje van de sluier werd opgelicht. “Je moet het niet verder vertellen,” zei Gerrit. “Maar ik heb een hartstikke goed gedicht gemaakt op Menno. Omdat hij Jehova-getuige is.” - “Laat horen,” zei Kees. En Gerrit droeg voor:

De ene gelooft in Jezus
en de andere niet,
maar dat maakt geen ene moer verschil
voor Sint en Piet.

“Een beetje kort,” zei Kees. “Maar wel heel duidelijk.” Chris wou er ook het zijne van weten, en daarom droeg Gerrit zijn gedicht nog eens voor. Toen liet Chris horen wat hij gemaakt had.

Voor Patricia:
Ook al ben je zwart als roet,
Je meent het toch goed.

“Wacht eens even,” zei Kees. “Dat heb je niet zelf bedacht. Dat komt voor in een Sinterklaasliedje:

Ook al ben ik zwart als roet,
‘k meen het toch goed.”

“Dat lijkt er inderdaad een beetje op,” zei Chris. “Maar daarna wordt het bij mij heel anders.” En hij droeg nu het gedicht in zijn geheel voor:

Ook al ben je zwart als roet,
Je meent het toch goed.
Ook al snoep je heel graag en
daarom krijg je van mij
een lekker suikerhart
voor Sinterklaas vandaag.

De bel ging en het feest kon beginnen. Ze zongen een paar Sinterklaasliedjes om de lagere klassen voor de gek te houden. Toen pakten ze één voor één hun cadeautjes uit en lazen ze het gedicht voor dat erbij hoorde. Soms kon iemand een gedicht niet lezen. Dan kwam degene die het gemaakt had bliksemsnel te hulp, zonder op de verplichte geheimhouding te letten. Ha! Meester Kist was aan de beurt. En terwijl de meester voorlas, ging Barend stijf rechtop zitten, keek de klas rond en wees zo nu en dan op zichzelf. Want hij was heel trots op zijn kunstwerk:

Dit is meester Kist, zoals je natuurlijk al wist.
Hij is niet kwaad als het regent of mist,
maar wel als hij een keertje de trein mist.
Hij is een goede meester, heel beslist.
Toch gebeurt het heus wel een keertje dat hij zich vergist.
Dan verzint hij gauw een list,
waarna hij weer om stilte sist.
Als hij dood is, stoppen mannen hem in een kist.

“Vooral de laatste zin vond ik heel ontroerend,” zei meester Kist. “En het is wel een heel knappe Sint, die een gedicht kan maken op maar één rijm.” Ondertussen probeerde Barend meesters aandacht te trekken, maar dat lukte hem niet.

Nu was het Kees zijn beurt om voor te lezen. Een handschrift met ronde letters. Een meisjeshandschrift. Vol aandacht zat Kees te lezen, en om hem heen begonnen ze te roepen: “Vooruit, Kees!” “Voorlezen, Kees!” “Wij willen er ook van genieten!”

Kees had honderd keer liever het gedicht voor zichzelf gehouden, maar dat kon bij deze gelegenheid nou eenmaal niet. Dus las hij voor. En onder het voorlezen vroeg hij zich af, wie dit nou toch wel voor hem gemaakt kon hebben:

Kees.
Hij zit soms zo stil voor zich uit te kijken.
Dan zit hij te dromen.
Waar denkt hij dan aan?
Op straat zie ik hem soms gaan,
en dan zie ik hem ook wel een keer stilstaan.
Hij kent zijn huiswerk altijd zo goed.
Hij is heel lief, met op zijn neus een bril en een sproet.

Toen het uit was, bleef Kees verlegen naar dat mooie handschrift zitten kijken. Gerrit riep: “Zo’n gedicht had ik ook wel willen hebben!” Van wie zou dat toch zijn? Patricia en Mia en nog een paar meisjes konden dit gedicht in elk geval niet gemaakt hebben. Want die hadden zich verraden door mee te helpen, als hun gedicht werd voorgelezen. Maar er bleven er genoeg over.

Voor het verdere Sinterklaasfeest op school had Kees weinig aandacht meer. Hij liep zo in gedachten verzonken naar huis, dat hij bijna onder een fiets kwam. “Uitkijken, slome!” riep de fietser. Mensen die op willen schieten hebben weinig begrip voor verliefdheid. En verliefd was Kees. Zo verliefd als hij nog nooit was geweest. En hij wist niet op wie.

EINDE

Bron van deze versie:
Het verhaal ‘Sinterklaasgedicht’ van Willem Wilmink verscheen eerder in de bundel: Het verkeerde pannetje, Bert Bakker, Amsterdam.

Business Broker

De Sint door Simon Carmiggelt

In de hal van Madame Tussaud in de Kalverstraat zat Zwarte Piet gehurkt voor drie zeer kleine jongetjes en vroeg: ‘Kunnen jullie zingen van Sinterklaas kapoentje?’
‘Ja, Piet,’ antwoordde een van de drie geïmponeerd.
Je kon zien dat hij ervan overtuigd was met de enige echte Zwarte Piet te doen te hebben, terwijl de mensen die eromheen stonden duidelijk zagen dat deze Piet gespeeld werd door een meisje.
‘Nou, zing ‘t dan maar,’ zei ze.
Ze deed zelfs geen moeite haar sopraan wat neer te drukken. ‘
Sinterklaas kapoentje…’ hieven de jongetjes braaf aan.

Het duplicaat van de portier naast de kassa keek onbewogen, maar het origineel bij de deur glimlachte net als wij.
Toen het liedje uit was, kregen de jongetjes een handje snoep en verdween Zwarte Piet in het wassenbeeldenspel als enige bewegende attractie tussen de verstarde groten der aarde.
De jongetjes maakten zich met hun buit uit de voeten en de toeschouwers voegden zich in de rijen der winkelende Amsterdammers.

Ik liep tegelijk op met een oude man, die niet veel meer te winkelen had. “t Was een meisje,”zei hij tegen me. ‘Ja, dat hoorde ik ook,’ antwoordde ik.
Hij glimlachte.
‘Ik heb laatst een vrouwelijke Sinterklaas gezien,’ zei hij. ‘Een lachertje. Voor mij tenminste. Maar voor de kinderen niet. Als je klein bent, geloof je wat je geloven wilt. Nou ja, als je groot bent ook. Maar dan gaat het om andere dingen.’

Terwijl we verder liepen, dacht ik aan mijn kindertijd.
Eerste klas lagere school. Ik geloofde niet meer. Sinds kort.
En ik wist welke meester Sinterklaas speelde en welke jongen uit de hoogste klas verscholen was achter het mombakkes van Zwarte Piet, waarvan de mond ernstig was beschadigd, omdat hij zijn functie misbruikte door zelf voortdurend pepernoten te eten. En toch beefde ik van angst, toen ik uit de bank moest komen om Sinterklaas een handje te geven en sloeg mijn stem over van de zenuwen bij het zingen van een liedje, waar hij om vroeg.

‘Toen ik nog klein was, zag je Sinterklaas niet zo gemakkelijk,’ zei de oude man.
‘Nou hebben kinderen de intocht. En hij verschijnt elk ogenblik op de t.v. Maar toen… Wanneer was het?’ Hij dacht even na.

‘De winter van 1915,’ vervolgde hij. ‘Ja, ik was toen zes. En m’n broertjes waren tien en vier. We woonden in de Indische buurt, hier in Amsterdam. En we hadden ‘t niet breed. Maar Sinterklaas werd gevierd. Ik was toen op de grens van geloven en niet geloven. Tegen mijn vriendjes riep ik: “Sinterklaas bestaat niet. Dat is een verklede vent.” Maar toch was ik diep onder de indruk, toen ik hem in persoon zag. Hij zat in de manufacturenwinkel van Nooy in de Eerste Van Swindenstraat. Kent u die winkel? Hij is er nog, geloof ik. Mijn moeder heeft me later verteld hoe we daar binnenkwamen. Als je voor minstens ‘n gulden kocht, mocht één van de kinderen op vertoon van de kassabon Sinterklaas een handje geven.
En dan kreeg zo’n kind een presentje.’ Hij keek me van opzij aan. ‘Een presentje,’ zei hij.
‘Een afgestorven woord. Net als versnapering.

Mijn moeder kocht drie theedoeken aan één stuk. Zelf doorknippen en zomen. Dat kostte net genoeg voor zo’n heilige kassabon. Mijn broertje van vier was de uitverkorene. Want die geloofde nog helemaal. Ik was alleen maar zenuwachtig in die winkel. Het duurde een hele tijd eer mijn broertje aan de beurt was. Vanuit de verte zagen we dat hij een handje kreeg. En zo’n kleurboekie van één cent. Dat bestond toen - iets van één cent. Helemaal stralend kwam hij bij ons terug. Hij had een wonder meegemaakt. “En,” vroeg mijn moeder, “heeft Sinterklaas nog iets gezegd?”
Hij knikte en op een eerbiedige toon antwoordde hij:

“Ja, moe.”

Hij zei: ” verdorie, wat ‘n rij nog.”

EINDE

Bron van deze versie:
“Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Feesten. Verhalen over feesten uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie” verschenen bij Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.

Business Broker

De heerlijkste 5 december in vijfhonderdvierenzeventig jaar

door Annie M. G. Schmidt

‘Daar zitten we weer,’ zei Sint.
‘Zegt u dat wel,’ zei Piet.
‘Op de stoomboot naar Nederland. Net als ieder jaar. Voor de hoeveelste keer is dat nou, Sinterklaas?’ ‘Voor de vijfhonderdvierenzeventigste keer,’ zei de Sint.
‘Bah,’ zei Piet.
‘Wat nou “bah”…’ zei Sinterklaas verontwaardigd.
‘Waarom “bah”?’ ‘Ik heb er zo genoeg van,’ zei Piet.
‘Maar je houdt toch van de kinderen? En de kinderen houden toch van ons?’ ‘Welnee,’ zei Piet.
‘Ze houden alleen van onze cadeautjes, ‘t Gaat ze enkel om de pakjes. Verder nergens om. En ‘t gaat nog stormen ook. Bah!’ ‘Hoor ’s Piet, dat mag je volstrekt niet zeggen,’ zei Sinterklaas boos.
‘Als je nog een keer “bah” zegt, ontsla ik je. De kinderen houden wél van ons. Ze zijn gek op ons…’

Hoeii… voor Sinterklaas verder kon spreken kwam er een windvlaag die bijna z’n mijter meenam… de storm stak op… de lucht werd inktzwart… de golven werden hoger en hoger…
‘Daar heb je ‘t nou…’ schreeuwde Piet.
‘We vergaan!’ ‘Onzin,’ riep Sinterklaas, “t Is al vierhonderddrieënzeventig keer goed gegaan met die boot, waarom zouden we dan nu ineens… haboeh…’ Sinterklaas kreeg een grote zilte golf naar binnen en hij moest met de ene hand z’n mijter en z’n staf vasthouden en met de andere de reling. De storm werd steeds erger en heviger en woester en wilder en vreselijker. Huizenhoge golven, torenhoge golven… de stoomboot leek wel een plastic speelgoedscheepje op de Westeinder Plas.
‘Ik ben zo bang…’ huilde Piet.
‘Onzin!’ riep Sinterklaas weer. En toen ineens… een ontzettende schok. Het schip was op een klip gevaren.
‘Help… help…’ schreeuwde Piet.
‘Help, de boot zinkt!’ ‘Wat zei je zo-even, Piet?’ vroeg Sinterklaas, terwijl hij probeerde te zwemmen met zijn mijter op en zijn staf in de hand.
‘Ik zei: De boot zinkt…’ kreunde Pieter, die naast hem zwom.
‘O,’ zei Sinterklaas.
‘Wel, je had gelijk. De boot is gezonken.’ ‘O, wat ben ik nat,’ zei Piet.
‘O, wat ben ik nat en koud en zielig. O, wat heb ik een medelijden met mij!’ ‘Denk liever aan die arme kindertjes in Nederland,’ zei Sinterklaas.
‘Als de Sint verdrinkt zullen ze nooit meer lekkers en speelgoed krijgen op 5 december. Daar ga ik, Piet. Ik ben te oud om in de Golf van Biskaje te liggen. Vaarwel dan, Piet.’ ‘Nee,’ riep Piet wanhopig, ‘niet zinken, Sinterklaas. Daar drijft een grote balk! Misschien kunnen we erop klimmen.’

Hè hè, voorlopig waren ze gered. De goede Sint was z’n staf kwijtgeraakt. Z’n mooie mijter had hij nog op, maar het water droop eruit en het leek meer op een pudding dan op een mijter.
‘En al’m'n cadeautjes naar de haaien…’ zuchtte Sinterklaas.
‘En de marsepein en de chocoladeletters en de suikerbeesten, allemaal weg, allemaal weg. Wat moet er van ons worden? Hoe lang zullen we nog ronddobberen?’ ‘Ik zie land!’ riep Piet.
‘Kijk daar, land! En daar komt al een bootje om ons te redden. Dit moet de kust van Frankrijk zijn. Een Frans bootje!’ Gered… Eindelijk gered! Druipend en rillend stonden Sinterklaas en Piet in de kamer van een lieve vishandelaar in een Frans kustplaatsje.
‘Nous sommes Saint Nicolas et Pierre,’ zei Sinterklaas. Dat is Frans en het betekent: Wij zijn Sinterklaas en Piet. Maar de vrouw van de vishandelaar begreep het niet zo goed. Ze zei enkel: ‘Arme arme schipbreukelingen…’ (ze zei het in het Frans natuurlijk).
‘Doe die natte kleren maar uit. Drink deze warme melk. Ik zal u een pak geven van mijn man. Zijn zondagse pak. En voor de jongen heb ik nog wel een stel kleren van m’n zoontje.’ ‘Hoe kunnen wij u ooit bedanken,’ zei Sinterklaas.
‘Hoe kunnen wij u ooit betalen. Al ons geld ligt in de zee.’ ‘Dat hindert niet,’ zei de goede vrouw.
‘U kunt ook bij ons logeren vannacht.’

‘Dat is erg vriendelijk van u. Maar we hebben geen tijd,’ zei de Sint.
‘We hebben zelfs vreselijke haast. Hoe komen we ooit op tijd in Nederland. O lieve deugd, we komen nooit op tijd in Nederland. Daar zitten ze nu op ons te wachten en we komen te laat. Trouwens, we hebben niet eens geld om verder te reizen.’

‘Mijn man brengt u wel even naar Nederland,’ zei de lieve mevrouw.
Sinterklaas en Piet zaten op de open vrachtauto en klampten zich vast, want de visboer reed ontzaglijk woest. Hij reed door alle stoplichten en dwars door alle douaneposten. Hij gierde door de bochten en raasde langs de wegen en denderde door de stadjes. Maar voor Sint reed hij nog niet hard genoeg.
‘Als we maar op tijd zijn… als we maar voor 5 december aankomen…’ zuchtte hij.
‘Harder astublieft, harder.’

En na een hele dag en een hele nacht rijden waren ze in Nederland.
‘Naar Amsterdam?’ vroeg de visman.
‘Jazeker, naar Amsterdam,’ zei Sinterklaas.
‘De hoofdstad eerst.’
‘Ik zet u hier af,’ zei de visboer.
‘Midden in Amsterdam. En ik ga direct terug; mijn vrouw zit te wachten. Adieu.’ En weg was hij.

Daar stonden ze, in Amsterdam, midden op de Dam, voor het Paleis. Tussen de duiven. Tussen de mensen. Sinterklaas keek eens om zich heen en deed wat hij ieder jaar deed als hij in Nederland was: hij knikte en hij wuifde en hij glimlachte. Er kwamen heel wat mensen langs. Maar ze keken niet eens naar Sint en Piet. Niemand keek. Niemand herkende hen. Helemaal niemand.
‘Ik ben Sinterklaas,’ zei de goede Sint tegen een voorbijganger.
De heer bleef even staan, snoof en zei: ‘Brave man, je ruikt naar vis.’ Toen liep hij door. Helaas, het was zo, ze roken naar vis. En niemand, niemand, niemand herkende hen. Moedeloos gingen ze op een bank zitten bij het Monument.
‘Daar zitten we nou,’ zei Sint.
‘Zegt u dat wel,’ zei Piet.
‘Geen cadeautjes. Geen geld. De mensen herkennen ons niet. Heb ik het niet gezegd: alleen om de cadeautjes houden de kinderen van u.’

Op dat moment kwam er een heel klein meisje voorbij aan de hand van haar oma.
‘Sinneklaas…’ riep het kind.
‘Dat is Sinterklaas niet,’ zei oma.
‘Dat is zomaar een man.’
‘Sinneklaas…’ zei het kind koppig en probeerde zich los te rukken van oma’s hand.

Een ander kind riep ook: ‘Sinterklaas.’ Een klein jongetje begon te zingen: ‘Sinterklaasje bonne bonne bonne.’
En al heel gauw stonden er wel duizend kinderen om de bank die juichten en zongen en schreeuwden.

De vaders en moeders zeiden knorrig: ‘Kom toch mee, Rietje, toe dan toch Jantje, dat is Sinterklaas niet, dat kun je toch wel zien. Dat is een man die naar vis ruikt.’ Maar de kinderen rukten zich los en gingen toch. Sinterklaas gaf alle kinderen een hand en luisterde naar de liedjes.
‘Waar is uw staf, Sinterklaas? En waar is uw mijter? Waar is de zak met cadeautjes?’ vroegen de kinderen. Sinterklaas vertelde van de schipbreuk.
‘Wat verschrikkelijk!’ riepen alle kinderen.
‘Arme Sinterklaas. Arme Zwarte Piet. De stoomboot is vergaan en nu zijn ze hier
zonder hun kleren en zonder eten.’

Een paar grotere kinderen zeiden tegen elkaar: ‘Weet je wat. Sinterklaas heeft ons zoveel keren cadeautjes gegeven, laten we het nu eens omdraaien. Wij geven hém wat.’ Ze renden naar huis en kwamen terug met een heleboel pakjes. Er zaten boterhammen in en worstjes en appels en friten en flesjes melk. De een na de ander gingen de kinderen thuis iets halen. Behalve eten brachten ze echte cadeautjes mee. Ze gaven hun mooiste speelgoed, hun treinen en kraanwagens en speelgoedbeesten. Hun poppen en winkeltjes en keukentjes. De grote mensen stonden in de verte te kijken en schudden het hoofd.
‘Wat een gekke boel,’ riepen ze.
‘Zo’n gewone man die naar vis ruikt…’

Er kwamen nog twee kinderen aan met een heel, heel groot pak.
‘Wat zou daarin zitten?’ vroeg Sinterklaas nieuwsgierig. Hij genoot zo van al die cadeautjes, hij kon er niet genoeg van krijgen. Voorzichtig maakte hij het grote pak open.

En wat zat erin? Een Sinterklaaspak en een Zwarte-Pietpak.
‘We hebben het voor u gehuurd,’ zeiden de kinderen.
‘Met geld uit onze spaarpot. De pakken moeten wel terug, maar u mag ze een paar dagen houden.’ Sinterklaas kreeg tranen in zijn ogen, zo blij was hij. En Piet danste van geluk. Achter de stenen leeuw van het Monument verkleedden zij zich. En toen ze weer tevoorschijn kwamen, barstten alle kinderen in luid gejuich uit en zongen: ‘Zie de maan schijnt door de bomen.’
Dit was weer de goede Sint, zoals hij elk jaar in Nederland kwam. Dit was weer de vrolijke Zwarte Piet.

Nu zagen de grote mensen eindelijk ook, dat ze het heus waren. Niemand twijfelde meer. Al roken Sint en Piet nog steeds een beetje vissig… het hinderde niet meer.

Hij werd plechtig ontvangen, de Sint. Hij werd door iedereen toegejuicht, ook door de grote mensen en hij ging rond met Zwarte Piet, langs alle huizen, net of er niets gebeurd was. En cadeautjes om uit te delen had hij ook! Jazeker, al die pakjes die hij van de kinderen had gekregen, kon hij nu uitdelen. Ieder kind kreeg een cadeautje. En geen enkel kind kreeg zijn eigen speelgoed terug, daar zorgde Pieter wel voor. Zo gingen ze door heel het land.

Sinterklaas ging per vliegtuig terug en hij mocht gratis vliegen per KLM omdat hij een Zeer Belangrijk Persoon was.

En toen hij terug was in Spanje, zond hij het Sinterklaaspak en het Zwarte Pietpak aangetekend terug. Met een briefje erbij: Dit was de heerlijkste 5 december in vijfhonderdvierenzeventig jaar. Dank u!

EINDE

Bron van deze versie:
Misschien wel echt gebeurd 43 sprookjes en verhalen van Annie M.G.Schmidt Uitgeverij Qeurido ISBN 90 214 8094 8 / NUGI 241

Business Broker

Waar is de Sint na 5 december?

“Klaaas klaaaas”, roept Tess heel hard als er op
televisie bekend wordt gemaakt wanneer hij in het
land komt. Mama ziet het ook en zegt: “Dat is
Sinterklaas ja met zwarte pieten. Dat heb je goed”.
“Mam weet je al wanneer sinterklaas bij ons komt”,
vraagt Olivier. “Nee eigenlijk weet ik dit niet”,
antwoord mama.
‘s Avonds als papa thuis is en ze zitten te eten
verteld Tess in haar taal dat ze Klaas heeft gezien en
pieten. Papa stelt allerlei vragen van waar heb je die
gezien en wie weet eigenlijk waar de Sint nu is. “Ik
weet dat de pieten op het strand aan het zonnen zijn,
ze moeten wel goed bruin zijn”, antwoord Martijn,
“Maar waar de Sint is weet ik niet. “Ik weet dat wel.
Die is in een groot huis. Onze brieven aan het lezen
wat we van hem willen hebben. Dan gaat hij naar de
winkels toe om het te kopen en pakt het in. In het
grote huis slaat hij het op en brengt het dan naar
ons toe als hij jarig is”, verteld Olivier.
“Dus de sinterklaas heeft helemaal geen vakantie?”,
vraagt mama. Martijn en Olivier kijken mama
aan.”Vakantie?? Dat heeft hij toch als hij weer terug
is met de pieten in Spanje”, antwoord Olivier. “Ja
dan mogen de pieten weer in de zon liggen en
Sinterklaas gaat geld sparen om ons volgend jaar
weer cadeautjes te kunnen geven”, vult Martijn
Olivier aan.
Papa en mama moeten een beetje lachen om het
gezegde van Olivier en Martijn. Niemand weet
eigenlijk waar Sinterklaas is. Dat houdt de Sint altijd
goed geheim. “Ja ik denk eigenlijk ook dat de pieten
het hele jaar op het strand liggen, anders kunnen ze
niet zo zwart worden van de zon, en de Sint is
binnen”, zegt mama.
“Papa weet jij eigenlijk wanneer Sinterklaas bij ons
komt?”, wil Martijn weten. “De sint komt dit jaar niet
bij ons. Hij heeft geen tijd”, reageert papa. Martijn,
Tess en Olivier kijken papa beteuterd aan. “Hij komt
niet?”, vraagt Olivier. “Nee, hij heeft geen tijd. We
hebben wel een brief gehad van de Sint waar in
stond dat hij bij ome Joop en tante Nonna komt. De
Sint vraagt of wij daar heen willen komen”, legt papa
uit. “Heb je hem terug geschreven en gezegd dat we
daar zijn?”, wil Olivier weten. “Ja ik heb een brief
geschreven dat we 5 december bij ome Joop en
tante Nonna zijn”, verteld papa.
Olivier is nu wel een beetje blij dat hij de Sint toch te
zien zal krijgen.
Op 5 december heeft papa gelukkig vrij dus met zijn
allen gaan ze naar Ome Joop en tante Nonna. Als ze
daar komen blijken alle neefjes en nichtjes er ook te
zijn. “Heb jij ook een brief gehad dat sinterklaas
geen tijd heeft en we allemaal naar ome Joop en
tante Nonna moeten komen?”, vraagt Olivier aan
neefje Peter. “Ja, en Sjors en Maaike hebben die ook
gehad. Dus we zijn allemaal hier”, zegt Peter.
“Dat is dan wel met veel mensen Sinterklaas doen”,
zegt Olivier.
Bij ome Joop en tante Nonna is een grote
speelkamer en daar spelen alle kinderen en drinken
ze wat. Het is niet erg als daar rommel komt dus je
mag er zelfs met chipjes knoeien. “Ik vindt het wel
lang duren hoor voor Sinterklaas komt”, zegt Olivier.
De andere kinderen vinden dit ook en met zijn alle
gaan ze de woonkamer binnen.
“Zo daar zijn jullie dan eindelijk”, zegt iemand om
het hoekje van de deur. Als Martijn omkijkt schrikt
hij en gilt. “Nou nou je hoeft niet te gillen om
Sinterklaas”, zegt de Sint. “Ikkkke wist niet dat u
daar was”, antwoord Martijn vlug doorlopend naar
papa. De andere kinderen zijn inmiddels ook in de
kamer en de kleine kindjes beginnen te huilen. Het is
ook wel een beetje vreemd om zwarte mensen te
zien die zo grappig gekleed zijn. De pieten geven
gauw een paar pepernootjes en dan is het weer
goed. “De kindertjes die bij mij durven te komen
zitten, willen die dan hier op de grond komen
zitten?”, vraagt de Sint. De kinderen lopen naar
voren en gaan voor de Sint op de grond zitten.
De Sint kijkt naar de kinderen en vraagt dan: “Wie is
er niet lief geweest?”. Niemand durft er wat te
zeggen. “Is iedereen lief geweest?”, vraagt de Sint
nog is. “Maaike heeft me wel geslagen en mama is
boos op me geweest”, verteld Nienke. “En jij heb
niks gedaan?”, vraagt de Sint. Met een rood
gezichtje zegt Nienke:”Wel”. De Sint begint te lachen
en zegt:”Volgens mij is elk kindje hier wel eens
ondeugend geweest. Ik weet dat allemaal. Het staat
in het grote boek”.
De Sint tikt op het boek en de kinderen krijgen er
een kleur van. Ja, je weet immers nooit wat de Sint
allemaal van je weet.
Gelukkig verteld de Sint alleen maar lieve dingen
over de kinderen en krijgen ze een cadeautje.
”Jongens ik moet weer weg. Er zitten nog andere
kinderen op mij en de pieten te wachten”, zegt de
Sint, “Gaan jullie maar in de gang kijken. De
pakjespieten hebben daar volgens mij meer
cadeautjes neer gezet”. De kinderen hollen de kamer
uit, alleen Martijn blijft achter. Als de Sint opstaat wil
Martijn hem iets vragen: “Sinterklaas mag ik vragen.
Waar woont u?. En liggen de pieten de hele dag op
het strand?”. “Ik ben de hele dag in het kasteel. En
de pieten die liggen ook op het strand. Ze doen ook
boodschappen en kopen vast nieuwe cadeautjes.
Maar niet verklappen hoor, het is een geheimpje”,
zegt Sinterklaas. Martijn vindt het wel leuk dat hij
een geheimpje samen met de Sint heeft.
De kinderen zingen nog een liedje en weg is de Sint
dan.
Voordat er cadeautjes uit worden gepakt doet tante
Nonna eerst nog een ronde drinken en wat lekkers,
want als er wordt gestart met cadeautjes uitpakken
kan er niks meer tussen door. De kinderen kunnen
niet wachten op de cadeautjes
Iedereen wacht netjes op zijn beurt. Als alle
cadeautjes uit zijn gepakt gaat iedereen naar huis,
want met zoveel kindjes kan je niet met je
cadeautjes spelen dan raak je het kwijt. Of iemand
anders wil jouw cadeau hebben en wat je van de Sint
krijgt wil je niet kwijtraken.
Thuis mogen Tess, Martijn en Olivier nog even
ermee spelen maar dan is het bedtijd. Het was een
drukke dag. Niet alleen met cadeautjes uitpakken en
het spelen met je neefjes en nichtjes, maar ook het
gezellige bezoekje van de Sint en pieten.
Voordat ze echt in bed liggen wil Martijn nog iets
zeggen tegen Olivier: “Olivier, ik weet wat de Sint en
de pieten nu aan het doen zijn”. “O wat dan?”, wil
Olivier weten.”Ja dat mag ik niet zeggen van de Sint.
Vraag het hem zelf maar volgend haar” is de reactie
van Martijn. Dat vindt Olivier niet leuk en loopt snel
naar mama. Helaas kan mama er niks van zeggen, ze
was er niet bij.
Martijn gaat met een glimlach zijn bedje in. Hij is er
maar wat trots op dat hij een geheimpje met de Sint
heeft. En Olivier weet het niet.
Weet jij nog wat het geheimpje was??

Business Broker

  Next Entries »

partners Linkeiland.nl - 123starten.nl - Linkdumpert - Linkeiland - NL linkdirectory - XIB concepts, marketing, development